Mitswa en christenplicht

Bescheiden helden uit de illegaliteit

 

Max Léons zat tijdens de bezetting ondergedoken in het Drentse Nieuwlande. Maar als ‘Nico’ zat hij er ook in het verzet. Samen met domineeszoon Arnold Douwes runde hij een onderduikorganisatie van de vermaarde Johannes Post. Honderden onderduikers uit heel Nederland wisten de twee een veilig heenkomen te bezorgen; Arnold Douwes uit christenplicht, de joodse Max Léons in het kader van de mitswa.

Het dagboek dat Douwes in fragmentjes bijhield werd door Lou de Jong beschouwd als het verhelderendste egodocument over de joodse onderduik. Samen met de herinneringen van Max Léons lag het aan de basis van dit boek. Mitswa en christenplicht vertelt het unieke verhaal van twee eigenzinnige mensenredders.

Aan Arnold Douwes zowel als aan álle inwoners van Nieuwlande werd na de oorlog de Yad Vashem-onderscheiding ‘Rechtvaardige onder de Volkeren’ toegekend. En Max Léons werd – als eerste Jood buiten Israël – in 2011 onderscheiden door The Jews Rescued Jews during the Holocaust Committee en het The B’nai B’rith World Center. Vorig jaar 4 mei legde Max Léons, direct na de twee minuten stilte, een krans bij het Nationaal Monument op de Dam.

‘Een mooie bijdrage aan de geschiedenis van de zorg voor onderduikers in Nederland. Door het toegankelijke taalgebruik en het autobiografische verhaal, gaat de situatie leven’.  **** Go2war2

‘Een eenvoudig, onopgesmukt relaas van de samenwerking tussen twee mannen met een geheel verschillende achtergrond in een bijzondere tijd.’ – Auschwitz Magazine


Een aantal fragmenten uit het boek:

Fragment 1:
Het was 10 mei 1940 ’s ochtends om vier uur. Ik was gewekt door een paar harde knallen en stond op het balkon van ons huis in Voorburg. Ik besefte wat er aan de hand was. Oorlog. ‘Alle joden zullen worden doodgeschoten.’ Dat wist ik. Dat voelde ik. Ik had wel eens stukjes redevoering van Hitler op de radio gehoord. Verder hadden de krant en de berichten die ik van anderen hoorde me tot mijn overtuiging gebracht. ‘Alle joden zullen worden doodgeschoten en wel direct.’
Ik zag niks. ‘Oorlogsschepen die oefenen op zee,’ riep de buurvrouw vanaf haar balkon. Ze vergiste zich, maar ik liet me voor korte tijd overtuigen. Ik kroop weer in bed. Binnen een kwartier stond ik weer buiten. Nu zag ik wel wat. Drie vliegtuigen stortten brandend neer. Het was oorlog.
Ik liep vanaf het balkon het huis in, zette de radio aan en hoorde Goebbels meedelen dat de Duitse troepen West-Europa waren binnengetrokken. Hij schreeuwde: ‘Führer, Sie befehlen und wir folgen.

Fragment 2:
In de volgende weken gebeurde er betrekkelijk weinig. De ‘Rijkscommissaris’ dr. A. Seyss-Inquart suggereerde dat er niet zoveel zou veranderen. Nederland was ‘bezet’, wat voor de Duitsers misschien wel leek op ‘aangesloten’, zoals Oostenrijk, maar wat beslist vijandelijker uitpakte. De bevolking zou snel genoeg ‘verduitsen’ dacht de bezetter, alleen zei hij dat (nog) niet. En tussen de bedrijven door moest het ras van vreemde smetten vrij worden gemaakt, etnische zuivering heet dat inmiddels, maar daar werd in eerste instantie geen ruchtbaarheid aan gegeven. De nadruk van de propaganda lag op rust, op stabiliteit. Er zou bijna niks veranderen, zeiden ze.

Fragment 3:
Ons huis werd eenmaal beklad. ‘JOOD’ stond er in grote letters op de stoep. Op de muur stond ‘VUILE ROT JOOD’ en ‘YANKEE, ENGELSMAN en BOLSJEWIEK dansen naar de pijpen van de Jodekliek.’ Fijnzinnige teksten waren het niet en dat vond de buurt gelukkig ook. We woonden er al vijftien jaar en hadden veel vrienden.
Het leek wel revolutie! Iedereen kwam met ladders en emmers om de boel schoon te maken. Mijn vader maande iedereen tot kalmte. Ze mochten pas schoonmaken als hij toestemming daarvoor had verkregen, zei hij. Keurig netjes vroeg hij vervolgens toestemming aan het Rijkscommissariaat, en die kreeg hij! Daarna werd onze gevel gereinigd door een groot aantal Voorburgers. We werden tot onze ontroering bovendien overstelpt met bloemen.

Fragment 4:
Inburgeren bleek lastiger dan ik had gedacht, zeker in zo’n kleine plattelandsgemeente als Nieuwlande, waar ze, zoals gezegd, een voor mij onverstaanbaar dialect spraken. Het was Gronings, dacht ik, of Drents, of misschien een mengvorm van die twee. Bij Dijk spraken ze Gronings, de Groningse boeren die zich in en om Nieuwlande hadden gevestigd spraken Gronings, de oorspronkelijke bevolking sprak Drents en het resultaat van dat al was vrijwel onbegrijpelijk.
Maar ik moest en zou erbij horen. Ik besloot zo snel mogelijk bij een boer te gaan werken. Dat zou me bezigheden geven, zou me in staat stellen wat mensen te leren kennen en ik zou er het dialect kunnen leren. Als je vertrouwen van de mensen wilt hebben, moet je het ook geven. Je moet proberen een van hen te zijn, en dus moet je hun taal spreken.
Maar niet alleen mijn tongval, ook mijn taalgebruik moest ik aanpassen. Ik verbood mezelf te vloeken. Niet alleen was vloeken een ondeugd voor een christelijk-gereformeerde, eigenlijk gaf onverkoren taalgebruik bij iedereen aanstoot. Opvallen was fout. Het kerkbezoek zou ik natuurlijk voortzetten. Ik werd dan een bekend gezicht, een geloofsverwant en ook dat zou de sociale contacten verbeteren, vergemakkelijken. Om mijn jood-zijn te verdoezelen, besloot ik mijn tweede voornaam te gebruiken: ‘Nico’.

Fragment 5:
Er stond een stevig windje, dus ik boog wat voorover. Achttien kilometer te gaan en het begon al te schemeren. Ietsje voorbij het centrum van Nieuw-Amsterdam hoorde ik ‘Halt!’ roepen. Ik deed of ik het niet hoorde en reed door. Ik hoorde nog eens ‘Halt!, en nog eens. Ik bleef stug doorfietsen. Ik had verdorie vijfhonderd bonkaarten, een revolver en een joods jochie bij me. Die moest ik in veiligheid brengen. Doorfietsen dus. Het duurde niet lang of ik werd ingehaald door schreeuwende landwachters, vier man, met wapens. Ze brachten me tot staan en gingen verschrikkelijk tekeer. Of ik gek was om zo door te jakkeren, of ik ze niet halt had horen roepen? Ik antwoordde op zijn Drents: ‘Hoe kan dat nou man, die wind die zoest mie om de kop.’ ‘Ik wil oen Perseunsbewies zien,’ zei er eentje. Ik gaf het hem netjes, hij bekeek het uitvoerig, gaf het door aan de volgende. Die kon evenmin iets verkeerds ontdekken en nummer drie ook niet. Ik kreeg het zonder problemen terug. Maar daarmee was ik nog niet weg. Nummer vier liep om me heen en scheen met zijn zaklantaarn in het gezicht van Bobbie. Zie ook  http://www.andereachterhuizen.nl/

Fragment 6:
Arnold en ik besloten dat we toch iets moeten doen tijdens de donkere dagen. Niet voor onszelf, maar voor de onderduikers en dan vooral voor de kinderen. De sfeer kon wel een oppeppertje gebruiken. Opeens kregen we een idee, maar we verwierpen het onmiddellijk weer. Het was onuitvoerbaar, wisten we. Het was mooi om een symbolische daad te stellen, een gebaar te maken, maar dit plan was idioot. We konden het niet serieus overwegen, maar we overdachten toch de praktische kanten van het malle plan. Hoeveel kinderen hadden we onder onze hoede, een kleine honderd? En vanzelf, alsof we het over een klein gezin in vredestijd hadden in plaats van over ruim honderd kinderen verspreid over een gebied van tientallen kilometers, lieten we onze bedenkingen varen. Weg serieuze overwegingen, weg praktische bezwaren. Wij zouden sinterklaas gaan vieren.

Fragment 7:
Betrekkelijke rust en veiligheid. In de schuilplaats werd Texas Slim aan zijn pijnlijke enkel geholpen door een bevriende arts, dokter Reynierse uit Hollandscheveld. Reynierse was een van de huisartsen die ons regelmatig ter wille waren. Hoe vaak was er niet een onderduiker ziek? Dokter Brouwer was de andere. En dan hadden we nog wijkzuster Scholten uit Dedemsvaart, en een aantal medewerkers van ziekenhuis Bethesda in Hoogeveen, onder wie de geneesheer-directeur Van de Velde, directrice zuster Posthuma en onze eigen Tini Zijlstra, de dochter van Bouwe. Al met al hadden we een behoorlijk medisch team ter beschikking. We maakten plannen om onze Amerikaan de volgende dag verder te transporteren. Als doofstomme vrouw van reusachtige afmetingen zou hij, begeleid door een verpleegster, richting vrijheid vertrekken met Tini Zijlstra, een schat van een vrouw. Zij zou het ‘klusje’ opknappen.

Fragment 8:
In 1985 werd het dorp Nieuwlande collectief onderscheiden – als het eerste dorp in Europa – door Yad Vashem, de Israëlische herdenkingsorganisatie die zich beijvert voor het bedanken van de redders van het joodse volk. Een paar weken daarvoor waren in De Tamboer in Hoogeveen 202 mensen individueel gedecoreerd, onder hen bevonden zich bijvoorbeeld Wietske en Hilbrand Veenstra, bakker Blanken en zijn vrouw en vele anderen. Een groot aantal van de onderscheidingen werd postuum toegekend. Als zoon van het oude volk kreeg ik geen decoratie, want volgens de joodse wet is het vanzelfsprekend dat een jood een andere jood redt, een mitswa.

Prijs boek: € 19,90
Gebonden, 125 x 200 mm, 144 pagina’s
ISBN: 9789491363016
Direct bestelbaar via deze link

Prijs eboek: € 4,90
Direct bestelbaar via deze link